Bordeaux ligt aan de Gironde, een brede riviermonding die de streek in twee helften splitst. Die rivier is meer dan een geografisch feit: hij bepaalt vrijwel alles aan de wijn die er gemaakt wordt.
Twee oevers, twee druiven
Op de linkeroever, met bekende namen als Médoc en Graves, ligt de bodem vol grind en kiezel. Die grond houdt warmte vast en laat water goed weglopen, precies wat Cabernet Sauvignon nodig heeft om goed te rijpen. Cabernet Sauvignon is hier dan ook de hoofddruif, met Merlot als aanvulling voor wat zachtheid.
Op de rechteroever, met Saint-Émilion en Pomerol als bekendste namen, overheersen klei en kalksteen. Die grond houdt water langer vast en is koeler, wat beter past bij Merlot, die minder zon nodig heeft dan Cabernet Sauvignon om te rijpen. Daar is Merlot de hoofddruif, aangevuld met Cabernet Franc.
Blenden als uitgangspunt
Vrijwel geen enkele rode Bordeaux bestaat uit één druif. De gedachte is dat verschillende druiven elkaars zwaktes opvangen: Cabernet Sauvignon geeft structuur en bewaarpotentieel maar kan hard zijn, Merlot geeft zachtheid en fruit maar mist soms ruggengraat, Cabernet Franc voegt geur en frisheid toe. Elk kasteel bepaalt jaarlijks opnieuw de exacte verhouding, afhankelijk van hoe de druiven dat jaar zijn uitgevallen.
Bij de witte wijnen van Bordeaux geldt hetzelfde principe, meestal met Sauvignon Blanc voor frisheid en Sémillon voor lichaam en de mogelijkheid om te rijpen.
De classificatie van 1855
In 1855 werd op verzoek van Napoleon III een rangorde opgesteld van de beste kastelen van het Médoc, gebaseerd op de prijs die hun wijn destijds opbracht. Die indeling in vijf niveaus, van Premier tot Cinquième Cru, staat sindsdien vrijwel ongewijzigd vast en wordt nog altijd op etiketten vermeld, ook al is de kwaliteit van sommige kastelen in de tussentijd flink veranderd.